Toen Bibber klein was stond er een lampje naast zijn bed. Dat mocht ’s nachts altijd aanblijven. Maar toen zei mama: ‘Je bent nu al zo’n grote jongen, Bibber. Zullen we het nachtlampje cadeau geven aan de nieuwe baby van de buren?’
‘Goed mama,’ zei Bibber trots. Hij was een grote jongen en had zo’n lampje niet nodig!
Het lampje werd weggehaald.
De volgende avond stopt mama Bibber in bed en zegt: ‘Slaap lekker, jongen.’ Ze doet het grote licht in de slaapkamer uit en trekt de deur achter zich dicht.
De kamer is ineens zwart. Bibber ziet niets meer. Zijn bed, het bureau, de stoel en de kast: ze zijn allemaal weg. Was het nachtlampje er nog maar!
Gelukkig ligt Arie, zijn knuffelpanda, naast hem. Bibber drukt Arie tegen zich aan. Door het gordijn komt nu wat licht van het raam. Bibber kan zijn kamer weer zien. Maar wat is die veranderd!
In de hoek hurkt een olifant. Een krokodil staat naast hem. Een vleermuis zit boven op een dikke wurgslang. En een aap hangt aan het plafond.
Bibber durft geen adem te halen. Hij hoopt dat ze hem niet zien, want anders komen ze hem aanvallen.
Hij hoort gekraak. Is dat de krokodil die naar zijn bed sluipt?
Mama is naar beneden. Ze kijkt tv en kan hem niet horen als hij om hulp roept. En het is te gevaarlijk om uit bed te komen.
Zouden de dieren hem kunnen ruiken?
Bibber trekt het dekbed over zijn hoofd. Hij luistert bevend naar het gekraak. Daar komt de krokodil, op zoek naar een lekker kind om op te eten. De aap piept, en de vleermuis vliegt op hem af….
De boze dieren trekken aan zijn dekbed, maar Bibber houdt het stevig vast. Hij moet Arie beschermen.
‘Bibber? Slaap je al?’ Het is mama’s stem!
Het dekbed gaat omlaag, en daar in het licht staat mama.
Ze lacht. ‘O nee, je bent wakker.’
Bibber ziet zijn kast, het bureau, de stoel met kleren en de lamp, die wel wat op een aap lijkt. De dieren zijn weg. Maar wat moet hij doen als ze straks terugkomen?
‘Ik was helemaal vergeten je een nachtzoen te geven,’ zegt mama. ‘Of ben je daar te groot voor?’
‘Nee mama!’
‘Is er wat, Bibber? Je rilt. Heb je het koud?’
‘Nee mama. Arie rilt. Hij is bang in het donker.’
‘Daar weet ik wel wat op,’ zegt mama. ‘Ik laat je deur een stukje open. Dan schijnt het licht van de gang naar binnen. Arie hoeft dan niet meer bang te zijn.’
Mama geeft Bibber en Arie een dikke nachtzoen. Ze loopt de kamer uit en de trap af.
Mama heeft gelijk. Door het licht van de gang kan Bibber alles zien: zijn kast, het bureau, de stoel en de lamp.
De boze dieren zijn weg. Die zijn op zoek naar een heel donkere kamer.
‘Ze komen nooit meer terug,’ zegt Bibber tegen Arie.
Arie wil weten of er misschien nog een dier onder het bed verstopt zit. Bibber is een grote jongen, dus die durft wel even te kijken. Alleen zijn nieuwe laarzen staan onder het bed.
‘Ze zijn allemaal weg, dus ga nou maar slapen, Arie!’