Bibber op School

Bibber gaat vandaag naar een nieuwe school.
Papa en mama zijn verhuisd naar een andere stad. Hij moet dus wel naar de nieuwe klas met al die nieuwe kinderen.

‘Heb je geen honger, Bibber?’ vraagt mama. ‘Ik heb nog wel zo’n lekkere boterham met chocoladepasta voor je gemaakt.’
Bibber kijkt naar de boterham. Anders kan hij er wel vijf van op, maar nu vindt hij de boterham vies.
‘Mijn buik doet pijn, mama. Ik ben ziek.’
Als Bibber ziek is hoeft hij niet naar school.
Mama voelt aan zijn voorhoofd. ‘Je hebt geen koorts. Ben je misschien een beetje bang voor de nieuwe school?’
Mama kent Bibber goed.
‘Helemaal niet,’ zegt Bibber. ‘Ik ben een flinke jongen en ik ben nooit bang.’
‘Ik zou het wel eng vinden,’ zegt mama. ‘Een nieuwe klas. Je kent nog geen kind.’
Bibbers keel doet nu ook pijn. Misschien pesten ze hem wel omdat hij nieuw is.
‘Maar je zult zien dat het allemaal reuze meevalt,’ zegt mama. ‘Bij je vorige school ging het toch ook goed?’
‘Ja.’
‘Ik zal je boterhammen inpakken,’ zegt mama. ‘Straks krijg je honger en dan heb je iets lekkers bij je.’
Eten waar al die kinderen bij zijn?, denkt Bibber. Ik kan vast geen hap door mijn keel krijgen.
Maar het pakje gaat in zijn tas.

Mama brengt Bibber naar school. Ze mag niet mee het schoolplein op. En ze mag hem ook geen zoen geven. Dat zou kinderachtig zijn.
‘Dag Bibber, tot straks!’ roept mama veel te hard.
Bibber mompelt iets en holt het schoolplein op. Bij de deur staat een mevrouw.
‘Jij moet Bibber zijn,’ zegt ze. ‘Ik ben je juf, Irma. Ga je mee?, dan laat ik je de klas zien.’
Bibber wil het liefst naar huis rennen, maar dat durft hij niet. Hij loopt achter juf Irma aan naar binnen.

De school ziet er vrolijk uit: overal hangen tekeningen, en er staan kasten vol boeken.
‘Dit is je klas,’ zegt de juf. ‘Er is een mooie plek voor je bij het raam. Daar kun je de bomen op de speelplaats zien.’
Was ik maar een boom, denkt Bibber. Bomen hoeven niet naar school. Die weten alles al.
De bel gaat. De kinderen lopen de klas in. Ze praten, lachen en kijken naar Bibber.
Hij staat naast de juf.
‘Jongens, we hebben een nieuwe leerling vandaag,’ zegt de juf. ‘Hij heet Bibber.’
‘Wat een rare naam,’ zegt een meisje met een lange vlecht.
Ze lachen hem nu al uit. Bibber krijgt een rood hoofd.
‘Bibber komt naast jou zitten, Marieke,’ zegt de juf. Ze wijst naar het meisje met de lange vlecht. Ze geeft Bibber een klein duwtje in zijn rug. ‘Ga maar zitten.’
Bibber gaat naast het meisje zitten.
Ze lacht naar hem met heel grote tanden. ‘Ha, Bibber!’
‘Hoi,’ zegt Bibber zacht.

De juf deelt blaadjes uit.
‘We gaan vandaag een opstel schrijven.’
‘Waarover?’ vraagt een jongen. Hij heeft heel grote oren.
‘Dat mag je zelf verzinnen,’ zegt de juf.
‘Ik weet niks,’ zegt een meisje met een lange puntneus.
‘Je eerste dag op school, Jessica. Daar weet je vast nog alles van.’
De kinderen schrijven. Bibber weet nog niet waarover hij gaat schrijven. Hij kijkt naar de kinderen. Straks op het schoolplein gaan ze hem vast pesten omdat hij zo’n rare naam heeft.
Maar nu zijn ze stil.
Jessica lijkt op een egel met haar puntneus. De jongen met de grote oren is net een olifant. En Marieke met haar grote tanden lijkt op een hamster. Alle kinderen in de klas lijken wel op een dier, ziet Bibber. De klas zit vol konijnen, apen, poezen en olifantjes. Zelfs het gezicht van de juf lijkt een beetje op een vriendelijke boxer.
Een klas vol dieren! Bibber moet er om lachen. En hij merkt dat zijn angst weg is. Zijn buik doet geen pijn meer, zijn buik heeft honger. Straks gaat hij buiten zijn boterhammen met chocoladepasta opeten. Marieke heeft vast wel plaats voor een hapje in haar hamsterwangen.
‘Jij weet zeker iets leuks, Bibber,’ zegt de juf. ‘Je kijkt zo vrolijk.’
‘Ja juf!’ zegt Bibber.
Thuis gaat hij een verhaal schrijven over de kinderen die op dieren lijken. Niet hier op school, dan zouden ze boos worden. Ze zouden gaan krijsen, balken, miauwen en blaffen.
Bibber pakt zijn pen en schrijft: Mijn vakantie, door Bibber.

Trude de Jong